Selecteer een pagina

Grote diversiteit aan oorzaken van een suboptimaal immuunsysteem
Een suboptimaal immuunsysteem kan samenhangen met leeftijd (jonge kinderen, ouderen), genetische factoren en stress, maar ook met diverse factoren uit de fysieke omgeving (Ruwaard & Kramers, 1993). Voorbeelden van dergelijke omgevingsfactoren zijn bepaalde virussen (HIV, mazelen) en immuuntoxische chemische stoffen (bijv. dioxine en andere persistente organochloorverbindingen). Deze chemische stoffen kunnen via milieuverontreinigingen, voeding, drinkwater, lucht en medicijnen de mens bereiken. Verder zou ook UV-straling het immuunsysteem negatief kunnen beïnvloeden (Goettsch et al., 1992). Tot slot kunnen de hierna beschreven factoren samenhangen met een suboptimaal immuunsysteem (lage infectiedruk, grootschalige vaccinatie) dan wel in combinatie met een suboptimaal immuunsysteem tot een verhoogd ziekterisico leiden (bloedtransfusie met verontreinigd donorbloed).
Voor informatie over de preventie van een suboptimaal immuunsysteem, zie: hoe is het aantal mensen met een suboptimaal immuunsysteem terug te dringen?

Allergieën als ‘prijs’ voor een verbeterde gezondheidstoestand?
Een lage infectiedruk binnen de bevolking kan vooral tijdens de ‘rijping’ van het immuunsysteem bij kinderen tot 2 jaar het evenwicht tussen onderdelen van het immuunsysteem verstoren. Dit verstoorde evenwicht kan leiden tot een verhoogde productie van een bepaalde antistof (IgE), wat vervolgens kan resulteren in een verhoogde gevoeligheid voor luchtweg-, huid- en voedsel-allergieën (Cookson & Moffat, 1997; Holt, 1996; Von Mutius et al., 1994). Ook kan dit verstoorde evenwicht in combinatie met auto-immuniteit leiden tot auto-immuunziekten.
De sterke toename van allergieën en auto-immuunziekten in hoogontwikkelde landen kan mogelijk verklaard worden door een verminderde infectiedruk. Deze veronderstelling wordt door onderzoeksresultaten ondersteund (Shirakawa et al., 1997). Overigens dragen ook enkele buiten het immuunsysteem gelegen factoren bij aan de toename in het aantal allergieën, zoals te vochtige woningen en de daarmee gepaard gaande hogere blootstelling aan allergie veroorzakende stoffen (biotische factoren, zoals huisstofmijten en schimmels).

Grootschalig gebruik vaccins en lagere infectiedruk zijn boosdoeners
De samenstelling van vaccins kan mogelijk het evenwicht tussen onderdelen van het immuunsysteem in belangrijke mate beïnvloeden, waardoor een hogere IgE-productie wordt veroorzaakt. Verder kan ook de voor veel humane vaccins gebruikte ‘hulpstof’ ALUM het evenwicht binnen het immuunsysteem verstoren (Speidel et al., 1997). Betere ‘hulpstoffen’ zijn beschikbaar, maar deze zijn nog niet grootschalig bij de mens getest op werkzaamheid en veiligheid.
Het eindresultaat van verminderde infectiedruk en grootschalige vaccinatie met onder andere ALUM bevattende vaccins kan een verstoord T1/T2 evenwicht (teveel T2) zijn, met daaraan gekoppeld overproductie van IgE.

Tot slot zijn genetische factoren, de voedingstoestand, veroudering en factoren als stress van invloed op het immuunsysteem. Of en hoe deze factoren in de toekomst zullen veranderen is onduidelijk.

Slechte afweer in combinatie met bepaalde ziekteverwekkers extra riskant
Onvoldoende immunologische afweer kan vooral problemen opleveren wanneer tevens een hoge belasting met bepaalde ziekteverwekker optreedt. Zo hebben mensen met een onvoldoende immunologische afweer, die tevens donorbloed ontvangen dat verontreinigd is met het hepatitis-C-virus, een verhoogde kans op hepatitis C (leverkanker). Pas sinds kort is er een test voorhanden om hepatitis-C-positieve donoren te identificeren en van bloeddonatie af te houden. Door het feit dat aan de ene kant deze test pas sinds kort beschikbaar is en aan de andere kant al tientallen jaren de transfusie van bloed en bloedproducten toeneemt, zal de ernst van de hepatitis-C-epidemie in de toekomst nog moeten blijken.