Selecteer een pagina

Hazenlip of Schisis (Grieks voor spleet) is een aangeboren afwijking van het gezicht, die zich kenmerkt door een spleet of groef in de bovenlip (hazenlip), kaak of gehemelte. De spleet kan zich beperken tot de bovenlip, maar kan ook doorlopen in de bovenkaak, en in de ernstigste gevallen in het hele gehemelte tot en met de huig. Ook een splijting van alleen het gehemelte of zelfs alleen maar van de huig komt voor. De spleet kan enkelzijdig, of dubbelzijdig zijn.

Een hazenlip ontstaat al in de eerste weken van de zwangerschap doordat de spleet, die een normale fase in de embryonale ontwikkeling is, zich niet sluit.

Schisis kan ontstaan door een combinatie van aanlegfactoren en storende invloeden van buitenaf in de periode tussen de zes en twaalf weken na de bevruchting. Een aantal oorzaken kunnen zijn:

Een stoornis in de zwangerschap:
In de normale ontwikkeling bestaat er bij iedereen in eerste instantie een dubbelzijdige lip-, kaak-en gehemeltespleet. (zie tekening onderaan)
Normaal groeien de verschillende delen naar elkaar toe en versmelten. Tussen de zesde en negende week van de zwangerschap sluiten de lip en de bovenkaak zich. Tussen de negende en twaalfde week het gehemelte. Als dit proces niet of volledig plaatsvindt, blijven er spleten bestaan.

Genetische factoren:
Genetische factoren spelen een rol op het moment van de bevruchting. De schisis kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een chromosoomafwijking. Meestal zijn er dan behalve een schisis nog ander aangeboren afwijkingen aanwezig. Een andere mogelijkheid is dat de aanleg voor schisis via één of beide ouders is doorgegeven. Schisis komt dan voor bij één of beide ouders, en/of één of meerdere familieleden.

Een combinatie van factoren:
Meestal ontstaat schisis door een combinatie van genetische factoren en stoornissen van buitenaf in de ‘gevoelige periode’ van de embryonale ontwikkeling.