Selecteer een pagina

Een tampon is een hulpmiddel om de gevolgen van de maandelijkse menstruatie van vrouwen op hygiënische wijze op te vangen. De geschiedenis van de tampon gaat terug tot de jaren 1930. De Amerikaan Earle C. Haas en zijn vrouw werkten beiden in de medische zorg en hadden ervaring met verschillende absorberende materialen. Toen zijn vrouw klaagde over de dikke maandverbandjes die ze tijdens haar menstruatie moest dragen, begon Haas na te denken over de ontwikkeling van een alternatief. Rond 1930 vroeg hij patent aan voor Tampax, wat zich ontwikkelde tot de eerste succesvolle tampon.

Enkele jaren later ontwikkelde de Duitser Carl Hahn ook een soortgelijk attribuut. Hij noemde het o.B., als afkorting voor ohne Binde (Duits voor zonder verband). Het zou echter nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren voordat hij zijn tampons in productie nam.

Aanvankelijk waren de tampons geen echt groot succes. Dit kwam pas op vanaf de jaren zeventig. De verkoop zakte daarna in de jaren 1980 weer in.

Een tampon bestaat uit samengeperste watten die bij een vrouw in de vagina gebracht wordt. De tampon zuigt zich vol met het menstruatiebloed. Een tampon is ongeveer 4 centimeter lang. Een tampon heeft als hij droog is een diameter van 10 tot 15 mm, afhankelijk van het type. Aan de onderzijde zit een draadje, dat uit de vagina blijft hangen en waarmee de tampon verwijderd kan worden. Als de tampon de juiste grootte heeft en op de juiste wijze is ingebracht, zou de vrouw deze niet moeten kunnen voelen.

Een tampon moet tijdens de menstruatie regelmatig vervangen worden, meerdere malen per dag, zoals meestal aangegeven op de verpakking. Langslapers gebruiken ‘s nachts best maandverband.

Doorsnede van het vrouwelijk onderlichaam met de tampon (paars) diep ingebracht in de vagina (blauw), tegen de baarmoedermond (groen) aan.