Selecteer een pagina

Algehele anesthesie, of narcose, is die vorm van anesthesie waarbij de patiënt het bewustzijn verliest. Bij de algemene anesthesie worden middelen toegediend die het bewustzijn onderdrukken. 

De moderne anesthesie onderscheidt voor de toepassing van algemene anesthesie drie pijlers: bewustzijnsverlaging, pijnbestrijding en spierverslapping. Voor deze drie pijlers worden verschillende medicijnen  gebruikt, elk voor een ander effect, maar soms zijn de effecten overlappend of elkaar zelfs versterkend. We onderscheiden algemene anesthesiemiddelen (anesthetica of hypnotica), pijnstillers (meestal op morfine gelijkende middelen, opiaten of opioïden) en spierverslappers. De anesthesiemiddelen kunnen intraveneus (in de aderen) worden ingespoten of worden ingeademd. Ook combinaties van beide toedieningsvormen worden breed toegepast.

Het proces van de anesthesie bestaat uit drie onderdelen: het in slaap vallen (de inleiding of inductie), de periode waarin de operatie plaats vindt (het onderhouden van de anesthesie) en het wakker worden (uitleiding).

Om de patiënt in slaap te brengen kan van verschillende methoden gebruik worden gemaakt. Bij volwassenen wordt de narcose vaak ‘ingeleid’ door het geven van een intraveneuze dosis van een anestheticum, waarna voor het onderhouden van de narcose een inhalatie-anestheticum (dampvormig) kan worden gebruikt gecombineerd met analgetica. Bij kleine kinderen wordt de narcose bijna altijd ‘ingeleid’ door het laten inademen van een dampvormig-mengsel via een ‘kapje’.  De toepassing van algehele anesthesie gaat vaak gepaard met beademing omdat de sterke anesthesiemiddelen vaak leiden tot onderdrukking van de ademhaling en omdat bij gebruik van spierverslapping de eigen ademhaling van de patiënt verlamd is. Daarnaast moeten er veiligheidsmaatregelen worden genomen om de luchtweg vrij te houden en om te voorkomen dat inhoud van de maag (passief) in de longen loopt. Daarom wordt vaak intubatie toegepast: een buis wordt ingebracht tot nét onder de stembanden en er wordt een ballonnetje om de buis (tube) (‘cuff’ of manchet) opgeblazen die rond het uiteinde zit. Hierdoor wordt de luchtweg afgesloten en vindt beademing via de buis plaats. Met zo’n beademingsbuis zijn veel operaties mogelijk die anders onmogelijk zouden zijn (bijvoorbeeld hart- en longoperaties). Regelmatig wordt een alternatief hiervoor gebruikt waarbij een speciale buis net boven de stembanden wordt geplaatst en de ballon boven de stembanden blijft (larynxmasker). Het voordeel daarvan is dat de patiënt na de operatie minder keelpijn heeft (hoewel dit door sommigen wordt betwijfeld), maar het larynxmasker kan niet altijd worden toegepast. Toepassing van anesthesie vindt plaats onder uitgebreide bewaking met apparatuur, zoals elektrocardiografie, automatische bloeddrukmeting, het meten van het zuurstofgehalte in het bloed (pulse oximetrie), de concentratie van zuurstof, lachgas, koolzuurgas en concentratie van inhalatie-anesthesiemiddelen in het beademingmensel, temperatuur en eventueel hersdenactiviteit. Indien nodig worden nog meer lichaamsfuncties gemeten. Bij geselecteerde ingrepen worden zo nodig trans-oesophageale echo, continue cardiale output en meting van drukken op diverse plaatsen in/rond het hart door middel van een pulmonaliskatheter of Swan Ganz-katheter verricht. 

De toepassing van anesthesie onder gemonitorde omstandigheden en door een opgeleide anesthesioloog mag veilig worden genoemd. De kans op overlijden als gevolg van toepassing van algehele anesthesie is kleiner dan 1 op 100.000 anesthesieën. De belangrijkste bijwerkingen na anesthesie zijn misselijkheid (10-30%), braken (<10%) en keelpijn (veroorzaakt door de intubatie). Een zeldzame maar levensbedreigende complicatie bij mensen die er gevoelig voor zijn is malignehyperthermie.

De anesthesie is een uitermate belangrijk onderdeel van een operatie en wordt door een universitair opgeleid medisch specialist, de anesthesioloog geassisteerd door een anesthesiemedewerker, toegediend. De anesthesioloog zorgt allereerst (een of meer dagen vóór de operatie) voor een algehele medische keuring. De patiënt wordt in de westerse geneeskunde op vele niveaus en manieren bewaakt. Hierdoor is de veiligheid van operatieve ingrepen in de laatste honderd jaar enorm toegenomen. Men zegt wel dat de autorit naar het ziekenhuis gevaarlijker is dan de anesthesie, althans als de patiënt overigens gezond is, want bij mensen met ernstige hart- of longaandoeningen blijft anesthesie een toestand met een flink verhoogd risico.