Selecteer een pagina

Heupdysplasie is de meest voorkomende aangeboren afwijking in Europa en wordt veroorzaakt door een, meestal aangeboren, onvoldoende ontwikkeling van het heupgewricht. Het acetabulum (heupkom of pandak), dat het komvormige gedeelte van het bekken vormt, is (nog) te plat, waardoor het bovenste deel van het dijbeen (heupkop of femurkop) onvoldoende wordt vastgehouden in het acetabulum. Dysplasie is een woord dat afgeleid is van het Griekse dys hetgeen mis of verkeerd betekent en plasie dat vormen betekent, dus misvorming.  

Heupdysplasie kan ook bij dieren voorkomen, met name bij honden. In het zwaarste geval kan een heupluxatie optreden, waarbij de heupkop zich geheel of gedeeltelijk buiten de heupkom kan bevinden.

Deze aandoening komt bij meisjes meer voor dan bij jongens. Het betreft vaker de linkerheup dan de rechterheup. Heupdysplasie treedt in Europa op bij 2 tot 4% van de geboortes. Er kunnen echter grote regionale verschillen optreden, zodat in bepaalde gebieden in Europa het vrij veel voorkomt. In Japan zijn ongeveer 10% van de geboortes betroffen, waarbij in China een heupdysplasie nauwelijks voorkomt.

Indien de aandoening niet of onvoldoende wordt behandeld, kan op latere leeftijd vroegtijdige slijtage van de heup (artrose) optreden.

De volgende diagnosetechnieken worden gebruikt:

  • Bijvoorbeeld bij het wisselen van de luier ziet men een ongelijke beenspreiding. Dit wordt veroorzaakt doordat het lichaam de beschadigde heup ontziet. Aan de kant van de dysplasie zijn de spieren meer aangespannen. Het betreft hier de spieren aan de binnenkant van het dijbeen.
  • Wanneer de baby ligt, ziet men ongelijke huidplooien. Het betreffende been lijkt ten opzichte van het gezonde been verkort. Indien beide heupen van een dysplasie betroffen zijn, ziet men mogelijk geen verschil.
  • Het been dat betroffen is, wordt minder bewogen. Dit is vooral direct na de geboorte te zien. Bij net lopende kinderen, kan men de dysplasie opmerken, doordat het kind wankelend of hinkend loopt.
  • Een stabiliteitsonderzoek in de eerste dagen na de geboorte (naar Ortolani). Beide knieën van het op de rug liggende kind worden in een haakse hoek gebogen. De arts betast met zijn vingers de heup. Aansluitend worden de benen behoedzaam richting de heup geschoven. Bij een instabiele heup zal de heupkop uit de heupkom schuiven, naar achteren en naar boven in de richting van de rug. De arts voelt dit onder zijn vingers gebeuren. Aansluitend worden de benen van het kind langzaam gespreid. Bij deze beweging zal de heupkop weer in de heupkom terugkeren, wat gepaard gaat met een snap-geluid onder de vingers van de arts. Deze onderzoeksmethode kan echter de heupkop beschadigen.
  • Met echografie kan, al direct na de geboorte, een ernstigere afwijking of een heupluxatie snel worden gezien. In bepaalde landen wordt dit onderzoek na elke geboorte uitgevoerd.
  • Kleinere afwijkingen kunnen beter opgespoord worden met een röntgenfoto, soms samen met een contrastvloeistof. Het röntgenonderzoek kan pas plaatsvinden 5 tot 6 maanden na de geboorte, omdat het kraakbeen eerst tot bot moet worden omgevormd voordat de dysplasie op de foto kan worden gezien.
  • Een MRI-scan laat de dysplasie ook zien. MRI wordt eerder gebruikt voor het controleren van de positie van de heup na de corrigerende behandeling (bijvoorbeeld wanneer het gips is aangelegd).
  • Een CT-scan wordt ook toegepast. Deze diagnosetechniek heeft als voordeel ten opzichte van de röntgentechniek dat zacht weefsel onzichtbaar blijft.      


A) gezonde heup B) dysplasie C) subluxatie D) luxatie