Selecteer een pagina

De hartchirurgie bestaat in Nederland ongeveer zestig jaar. In de jaren veertig van de vorige eeuw werden in Nederland de eerste hartoperaties uitgevoerd. Het waren vooral ingrepen bij kleine kinderen met aangeboren hartafwijkingen. Omdat de hart-longmachine pas in 1954 werd uitgevonden, kwam het voor dat deze kinderen die toen aan hun hart werden geopereerd, werden aangesloten op de bloedsomloop van een van hun ouders tijdens de operatie. De hart-longmachine werd in Nederland voor het eerst in 1957 gebruikt. Het apparaat is de meest revolutionaire uitvinding geweest op het gebied van de hartchirurgie. Omdat het apparaat de functies van hart en longen tijdens de operatie overneemt, konden chirurgen sinds die tijd open-hartoperaties uitvoeren. Het hart klopte tijdens de operatie niet. Daardoor was het voor het eerst mogelijk om in het hart zelf te opereren.

De eerste Nederlandse leerstoel thoraxchirurgie (operaties aan hart, longen en bloedvaten in de borstkas) was in 1952 in Leiden. Daarvoor werden hartoperaties altijd uitgevoerd door algemeen chirurgen, meestal gespecialiseerd in hartchirurgie. Dankzij de leerstoel in Leiden konden nu ook speciale thoraxchirurgen opgeleid worden om deze operaties uit te voeren. Toch werd het specialisme thorax-chirurgie in Nederland pas in 1972 officieel erkend. De hart-longmachine werd aanvankelijk alleen gebruikt bij operaties voor aangeboren hart- en klepafwijkingen.

Toen op 14 maart 1968 door dokter Gründeman voor het eerst in Nederland in het OLVG een bypassoperatie werd uitgevoerd, bleek de hart-longmachine ook voor dit soort ingrepen een uitkomst. Ook werden de onderzoekmethodes langzamerhand beter. Eind jaren vijftig konden artsen al wel gebruik maken van hartkatheterisatie om vernauwingen in de bloedvaten op te sporen. Twintig jaar later kregen ze verder de beschikking over echografie en de ct-scan en in de jaren negentig de mri-scan. Met behulp van deze nieuwe apparatuur is niet alleen te zien of er vernauwingen in de kransslagaders zijn, ook de pompfunctie en de kamerfunctie van het hart zijn nu duidelijk in beeld te brengen.

Daarnaast is de aard van hartziekten, die voor operaties in aanmerking komen, veranderd in de loop der tijd. In de jaren veertig en vijftig gingen vooral volwassenen met hartklepproblemen onder het mes. De klepafwijkingen waren meestal in hun jeugd ontstaan als gevolg van een keelontsteking die niet goed behandeld kon worden. Er waren toentertijd immers nog geen antibiotica. Het kwam daardoor vaak voor dat de keelbacterie ook de hartkleppen aantastte. Volgens de Nederlandse Hartstichting wordt hartfalen in de toekomst echter de belangrijkste hartziekte. De stichting noemt hartfalen zelfs de epidemie van de toekomst. Nu lijden nog 200.000 Nederlanders aan deze hartziekte, maar verwacht wordt dat dit aantal met tien procent per jaar stijgt.

Dat komt enerzijds door de vergrijzing. Anderzijds overleven meer mensen een hartinfarct, maar ze houden er wel een beschadigd hart aan over, waardoor de kans op hartfalen groot is. De gangbare medicatie voor hartfalen bestaat uit plaspillen, bloedvatverwijders en hartritmeregelaars. Of de patiënt wordt geopereerd aan de hartspieren. In de toekomst zal het wellicht mogelijk zijn om door middel van gentherapie problemen met hartfalen en kransslagadervernauwingen op te lossen. Op de Rijksuniversiteit Groningen wordt momenteel onderzoek naar gentherapie gedaan.

Met dank aan Dagblad Tubantia