Selecteer een pagina

Doofheid is het niet of zeer slecht in staat zijn om te horen. Een dove wordt ook wel auditief beperkt/gehandicapt genoemd.

Doofheid kan erfelijk zijn, of veroorzaakt worden door een ziekte of een ongeval. Voorbeelden van erfelijke vormen doofheid zijn, het syndroom van Usher, syndroom van Waardenburg en de ziekte van Van Buchem. In sommige families komt de erfelijke doofheid meerdere generaties voor, soms tot de 17e generatie,  5% van dove kinderen heeft twee dove ouders, nog eens 5% heeft 1 dove ouder. In geïsoleerde gebieden of in bepaalde geloofsgemeenschappen kan doofheid relatief vaker voorkomen als gevolg van inteelt. Voorbeelden van doofheid veroorzaakt door ziekte zijn hersenvliesontsteking, oorontsteking en rode hond tijdens de zwangerschap. Doofheid kan ook veroorzaakt worden door medicijnvergiftiging, tumoren, tympanosclerose of veroudering.

Prelinguaal doven

Prelinguaal doven zijn doof geboren of op zeer jonge leeftijd doof geworden (voor het derde levensjaar). Prelinguaal doven maken vaak gebruik van een eigen gebarentaal, die een andere grammatica heeft dan de gesproken taal. Wel is het zo dat veel Nederlandse of Vlaamse prelinguaal doven Nederlands als tweede taal beheersen, met name schriftelijk.

Postlinguaal doven

Postlinguaal doven zijn pas op latere leeftijd doof geworden (na het derde levensjaar). Ze gebruiken daarom vaak  Nederlands met gebaren in plaats van de Nederlandse gebarentaal. Ze voelen zich in het algemeen minder gelukkig en meer geïsoleerd van de horende wereld dan prelinguaal doven. 

Wanneer het binnenoor eenmaal beschadigd is, is herstel in het algemeen niet meer mogelijk. Wel is het mogelijk om – in het geval van gedeeltelijke doofheid of slechthorendheid – een (sterk) gehoorpparaat te gebruiken, wat het geluid versterkt alvorens het aan het oor aan te bieden. Met het nog aanwezige restgehoor kan de dove dan eventueel toch nog voldoende geluid waarnemen om spraak kunnen verstaan.

Cochleair implantaat

In gevallen waarin het middenoor niet meer functioneert, maar de gehoorzenuw, de auditieve cortex en het auditieve geheugen nog intact zijn, kan een cochleair implantaat (CI) uitkomst bieden. Ruim 80 procent van alle jonge dove kinderen tot 8 jaar en slechts 3 a 5 procent prelinguaal dove oudere kinderen en dove volwassenen zijn geïmplanteerd. Bij 30 procent van plots- en laatdoven is een CI geïmplanteerd. Een CI kan vanaf de zevende maand worden aangebracht. De dovencultuur biedt weerstand tegen het CI, omdat het deze cultuur bedreigt in het voortbestaan.

Lees meer over dit onderwerp in onderstaand boek:

Doof of zo?

Door: C. Tijsseling