Selecteer een pagina

Ablatie is een behandeling die aansluitend aan een elektrofysiologisch onderzoek kan plaatsvinden, of later. Met behulp van een soort wisselstroom kan men het puntje van een speciale katheter verwarmen.

Wanneer het puntje ongeveer 500C warm is, kan men daarmee heel precies kleine stukjes weefsel in het hart wegbranden.
Er ontstaat steeds een littekentje van enkele millimeters doorsnede en diepte. Omdat de aangebrachte littekentjes zo klein zijn en de katheter precies op de goede plaats moet liggen, herhaalt de cardioloog de behandeling vaak een aantal malen.

Door dit millimeterwerk kan deze behandeling meerdere uren duren. Het opwarmen van de katheter duurt steeds een halve tot anderhalve minuut. U voelt een warm of branderig gevoel, dat soms pijnlijk is. In plaats van door hitte kan men weefsel ook bewust beschadigen door het te bevriezen, dus door de katheter juist heel erg koud te maken.
Met zo’n katheterablatie kan men verschillende oorzaken van een ritmestoornis behandelen.
Als er bijvoorbeeld een elektrische verbinding tussen de boezems en kamers is, die er normaal niet mag zijn, kan men die met een ablatie onderbreken. Soms ontstaan er elektrische prikkels op een plaats in het hart buiten de sinusknoop. Zo’n plaats kan men goed met ablatie uitschakelen.
Ook ritmestoornissen die voorkomen in de buurt van de AVknoop kan men met ablatie behandelen. Het is dus de bedoeling dat er ná de ablatie geen ritmestoornis meer optreedt; de chirurg controleert dat meestal door u medicijnen toe te dienen die het hart gevoeliger maken voor prikkels en vervolgens te proberen de hartritmestoornis weer op te wekken.