 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |


|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
Geslachtelijke voortplanting
Om het voortbestaan van een levensvorm te waarborgen, moeten mens, dier en planten nakomelingen voortbrengen. Dat gebeurt door de voortplanting. Dat kan op twee verschillende manieren: de ongeslachtelijke (asexuele) en de geslachtelijke (sexuele).
De ongeslachtelijke voortplanting, waarbij het nieuwe wezen door deling of uitspruiten uit een deel van het oorspronkelijke ontstaat, komt het vaakst voor in de plantenwereld.
De voortplanting van de mens gebeurt door geslachtelijke voortplanting. Hierbij versmelten twee geslachtscellen (gameten) van twee verschillende levende wezens, in dit geval van man en vrouw.
De geslachtscel van de man is de zaadcel (spermium), die van de vrouw de eicel (ovum). Ze bevatten in hun kern (nucleus) elk een halve chromosomen set (haploïde set), die de erfelijke eigenschappen (genen) voor het nieuwe wezen bevat. Wanneer zaadcel en eicel zich verenigen (bevruchting), versmelten de kernen: de chromosomen van de moeder en de vader worden vermengd en er ontstaat een nieuwe cel met een volledige chromosomenset (diploïde set), die de grondslag voor een nieuw leven vormt.
« Ga terug
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |


|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |
|