 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |


|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
Bevruchting (fecundatio)
Video
Het begrip "bevruchting" omvat twee processen; het binnendringen van een zaadcel in een eicel (impregnatie) en de daarop volgende versmelting (conjugatie) van de beide celkernen.
Een bevruchting kan alleen maar op het moment van de eisprong (ovulatie) tussen de 14e en de 15e dag van een menstruatiecyclus (cyclus menstrualis) plaatsvinden.
Wanneer de eicel (ovum) de eierstok (ovarium) verlaten heeft, kan deze gedurende ca. 6 -12 uur bevrucht worden; daarna gaat die te gronde.
De bevruchting vindt in het bovenste deel van de eileider (tuba), de ampulla tubae, plaats.
Het acrosoom, dat voorop de kop van een zaadcel (spermium) zit, dringt de eicel binnen en lost zelf tijdens dit proces op. Hierbij komen enzymen vrij, die het gemakkelijker voor de zaadcel maken om met de kop ervan de eicel verder binnen te dringen.
De zaadcel dringt tot aan het middel ervan de eicel binnen, de zweepstaart wordt daarbij afgestoten. De kop van de zaadcel zwelt op en vormt de mannelijke voorkern.
De eicel reageert ogenblikkelijk op het binnendringen van de zaadcel met de vorming van een nieuw membraan (bevruchtingsmembraan), waardoor geen andere zaadcellen meer kunnen binnendringen.
Gedurende het binnendringen van de zaadcel bevindt de eicel zich in de tweede delingsfase, die dan beëindigd wordt. De celkern (nucleus) van de eicel zwelt ook op en vormt de vrouwelijke voorkern.
In de mannelijke en de vrouwelijke voorkern zitten slechts 23 chromosomen (haploïde kern). Door versmelting van de beide kernen ontstaat een cel met 46 chromosomen (diploïde kern), de bevruchte eicel (zygote), die zo de basis voor het ontstaan van een nieuw levend wezen vormt.
« Ga terug
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |


|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
|
 |
|